OVERBUURVROUW

Ze zegt dat ze ziet dat het beter gaat. Dat ik weer rechtop loop. Dat ik de wereld aankijk in plaats van alleen maar naar beneden. Ze zegt dat ik er goed uitzie en ze aan mijn ogen kan zien dat ik weer gelukkig ben. En dat ik dat nu moet vasthouden.

Misschien dat ik yoga kan proberen, of vaker de natuur in. Ik moet stoppen met sociale media en mijn suikerinname drastisch verminderen. Ook zou het kunnen helpen als ik me realiseer hoe slecht andere mensen het hebben én eventueel overwegen een verwantschap met Jezus aan te gaan. Dat zijn de echte antidepressiva, niet die chemische dingen waar de bijwerkingen heftiger van zijn dan het geboekte resultaat. Ik moet me er gewoon overheen zetten.

Ik beaam knikkend haar woorden; het leven is terug op de rails. Iedere ochtend ziet ze me door haar raam vertrekken. Naar werk, naar therapie, naar arts. Ik zwaai weleens, als ik haar doordringende blik echt niet kan ontwijken. Dat ik ’s avonds niet slaap omdat alle monsters in mijn hoofd blijven schreeuwen om aandacht, dat ik, áls ik dan eindelijk slaap, in paniek wakker word en naar buiten wil, dat mijn zelfbeschadigde armen steeds moeizamer genezen, of dat mijn bloedwaardes iedere keer een beetje slechter worden en mijn vermoeidheid toeneemt, dat weet ze niet. Ze ziet me gewoon zwaaien. Dag in, dag uit. Mijn blik omhoog, mijn bewegingen krachtig: mijn fysiek overschreeuwt de oorlog die zich in mij huisvest. Er prikken tranen achter mijn ogen, schreeuwen wil ik. Dat het niet beter gaat, dat ik nog steeds het gevoel heb dat ik iedere dag op de vlucht ben voor iets wat zich in mij heeft gevestigd en zich daar veel te veel thuisvoelt. Dat ik bang ben dat ik word opgeslokt door wat ik niet wil zijn of worden. Maar ik zwijg en glimlach naar haar: “Ja, ik voel me ook beter.”


© 1998-2020, Maaike van Maltha, All Rights Reserved.